Afkomst
Dit begrip berust op een nuance ten aanzien van het begrip ‘nationale of etnische afstamming’.
Het begrip ‘afkomst’ is overgenomen uit het Internationaal antiracismeverdrag van 7 maart 1966. Door de invoeging van dit begrip wenst men namelijk het hoofd te bieden aan het antisemitisme (vijandschap tegen de Joden).
Het begrip afkomst verwijst naar de Joodse afstamming van mensen en niet naar Joden als belijders van een godsdienst. In dit laatste geval kan men beroep doen op de antidiscriminatiewet, die onder meer ook het criterium ‘godsdienst of levensbeschouwing’ beschermt. Het antisemitisme uit het nazi-tijdperk verwees uitdrukkelijk naar de Joodse afkomst van de grootouders van een persoon om uit te maken of iemand al dan niet Jood was (Wet van Nüremberg van 15 september 1935 betreffende de bescherming van het Duits bloed) en viseerde niet enkel diegenen die een Joodse godsdienst belijden.
Volgens de voorbereidende werken van de antiracismewet is het begrip afkomst zelfs “de enige waarborg tegen het antisemitisme voor Joden wier nationale afstamming onbekend is of die, als niet-praktizerenden, moeilijk kunnen bewijzen dat zij tot een volk of een cultuur behoren.” (Gedr. St. Kamer, B.Z. 1979, nr. 214/9, 22)
Volgens de voorbereidende werken van de antiracismewet is het begrip afkomst zelfs “de enige waarborg tegen het antisemitisme voor Joden wier nationale afstamming onbekend is of die, als niet-praktizerenden, moeilijk kunnen bewijzen dat zij tot een volk of een cultuur behoren.” (Gedr. St. Kamer, B.Z. 1979, nr. 214/9, 22)
Zie ook


Print this page